fietsen en wielrennen in voerendaal

Analyseren van vermogensmeterdata

27 januari 2016

In het vorige artikel ben ik ingegaan op het trainen met een vermogensmeter. In dit artikel wil ik dieper ingaan op de analyse van de gegevens. In het artikel zal ik een nationaal criterium en een klassieker uit de Topcompetitie analyseren van Harry Sweering, een van de renners van het Baby-Dump Cycling Team, een profteam uitkomend op continentaal niveau. Naast analyse van deze wedstrijden zal ik laten zien hoe je vooruitgang bij een renner kunt monitoren.

Hel van Voerendaal, 31 mei 2015

De Hel van Voerendaal is een van de zwaarste nationale klassiekers uit de Topcompetitie. De Hel bestaat uit 15 lastige omlopen van 11 kilometer rond Voerendaal, waarbij elke ronde de Bergseweg en de Vrakelberg beklommen moeten worden. In deze koers levert Harry zijn beste fysieke prestatie over 2015. Allereerst zijn gemiddelde vermogen van 333 Watt over 4 uur en 28 minuten heel hoog. Ter vergelijking, later in 2015 rijdt de renner Arnhem-Veenendaal Classic, een UCI1.1-wedstrijd waaraan ook enkele World Tour-ploegen meedoen.

 

Hier haalt hij 'maar' een gemiddeld vermogen van 249 Watt over 4 uur en 44 minuten. Echt indrukwekkend is het genormaliseerde vermogen wat Harry behaalt. Bij het genormaliseerde vermogen wordt rekening gehouden met tempowisselingen. In de Hel behaalt Harry een genormaliseerd vermogen van 374 Watt. De vele klimmetjes en het koersverloop zijn hiervan de oorzaak. Bekijk hier de data.

 

Wat verder opvalt, is de hoge aanvangssnelheid in de eerste 2 ronden van de koers. In de eerste ronde behaalt Harry een gemiddeld vermogen van 374 Watt en een genormaliseerd vermogen van 417 Watt. Pas nadat zich een eerste kopgroep heeft gevormd valt het tempo iets terug. De definitieve kopgroep van 20 renners wordt gevormd na 2 uur koers. Naast Harry is de kopman van het team in de kopgroep aanwezig.

 

Hierdoor heeft Harry een dienende rol en verzet hij veel werk in het derde uur van de koers. In het laatste deel van de koers rijden 6 man weg uit de groep van 20. De kopman van Baby-Dump wint de wedstrijd en Harry finisht als twaalfde. Dat de koers enorm zwaar was blijkt ook uit de definitieve uitslag: van de 160 gestarte renners halen 28 renners de finish.

Ronde van Noordhorn

Een andere wedstrijd die Harry rijdt is de Ronde van Noordhorn, een criterium. Uit de file is duidelijk te zien dat het geleverde vermogen erg afwijkt van het vermogen dat geleverd wordt een klassieker. Harry levert een gemiddeld vermogen van 305 Watt en een genormaliseerd vermogen van 330 Watt. De tempowisselingen in een criterium zijn enorm. Direct vanaf het begin van de wedstrijd zit Harry in een kopgroep van 5 renners.

 

In de laatste 5 ronden rijdt Harry met 2 man weg, dit is duidelijk te zien in file vanaf 1:40 uur. In de laatste 14 min van de wedstrijd behaalt Harry een genormaliseerd vermogen van 361 Watt en een gemiddeld vermogen van 332 Watt. In de sprint behaalt Harry een maximaal vermogen van 1208 W. Dit is voldoende om de koers te winnen. Bekijk hier de data.

Verschil klassieker / criterium

In de figuren hieronder is duidelijk het verschil te zien tussen een klassieker en een criterium. Het eerste plaatje is een puntenwolk van de Hel van Voerendaal waarin het vermogen is uitgezet tegen de tijd, daaronder een puntenwolk van de ronde van Noordhorn. Het moge duidelijk zijn dat een klassieker hele andere fysieke eigenschappen stelt aan een renner dan een criterium.

 

puntenwolk

 

puntenwolk

 

Zoals uit bovenstaande files blijkt is er veel informatie uit een enkele vermogensmeterfile valt te halen. Hoe ga je als renner en/of als trainer/coach om met de meetgegevens die je (renner) dagelijks verzamelt en analyseert? Hier zijn een aantal standaardanalysemethoden voor waar ik hieronder verder op in ga. De gegevens zijn te analyseren in verschillende softwarepakketten. Ik werk zelf met commerciƫle softwarepakketten van Trainingpeaks (WKO+) en IQ02. Daarnaast is er freeware analysesoftware te downloaden via goldencheetah.org.

Vermogensprofielen

Allereerst kun je progressie volgen via de gepubliceerde methode van Pinot & Grappe. Zij stellen dat het meten en opvolgen van 12 waarden gedurende trainingen en wedstrijden een vermogensprofiel gemaakt kan worden van een renner. Zij stellen dat het maximale vermogen in Watt/kg gedurende 1 sec, 5 sec, 30 sec, 5 min, 20 min, 30 min, 45 min, 60 min, 2 uur, 3 uur, 4 uur en 5 uur gevolgd moet worden. De maximale vermogens die in een bepaalde tijdsperiode werden gehaald zetten ze uit een grafiek. Volgens Pinot & Grappe geeft deze grafiek een goed beeld van de capaciteiten van de renner. Als de figuur naar rechtsboven verschuift in de tijd, wordt een renner beter. Ook kunnen verschillende renners op deze wijze met elkaar worden vergeleken, maar ook verschillende training- en/of wedstrijdperioden in kaart worden gebracht. In deze figuur heb ik de beste waarden in een curve weergegeven van een Baby-Dumprenner (Peak Power) in seizoen 2014.

 

In deze figuur zie je 2 lijnen in de Peak Power curve. Er worden 2 perioden van dezelfde renner met elkaar vergeleken. De rode lijn betreft een 4-wekenperiode in april 2014 en de groene lijn betreft de aansluitende 4-wekenperiode in mei 2014. Hier is het opvallende dat de renner verbeterd is in het anaerobe gebied (5 s t/m 1 min).

 

Allan & Goggan stellen een simpeler methode voor. Volgens hen hoeven slechts 4 waarden gemeten te worden: 5 sec, 30 seconden, 5 minuten en 20 minuten. Een belangrijke analyse bij gebruik van een vermogensmeter zijn de zogenaamde vermogensprofielen. Hierbij wordt voor ieder afzonderlijk vermogensbestand geanalyseerd hoe hoog het maximaal geleverde vermogen was tijdens de rit voor intervallen van een verschillende tijdsduur. Zo wordt het hoogst behaalde vermogen over 5 sec, 30 seconden, 5 minuten en 20 minuten bepaald. Door deze hoogst gehaalde gemiddelde vermogens van training tot training te bekijken krijg je een idee van de progressie die een renner boekt. In deze figuur van een Baby-Dumprenner waarin het vermogen voor de genoemde 4 tijdseenheden is weergegeven over het gehele seizoen 2015. Zoals uit de figuur is af te leiden behaalde deze renner op 31 mei zijn hoogste 20 min (388 W) en 1 min waarde (666 W) in het seizoen. Zijn beste 5 sec en 5 min waarde behaalde hij op 23 april (1250 W) en 7 juni (455 W).

 

Een andere manier van weergeven van deze data is in de Power Profile Chart, zoals die ook is beschreven door Allan & Goggan. Deze analysemethode zit standaard in WKO+. Uit een vergelijkingstabel kan afgeleid worden om wat voor type wielrenner het gaat en wat zijn niveau is ten opzichte van renners van verschillende niveaus. Een probleem met de vergelijkingstabel is dat niet duidelijk is op basis van welke gegevensverzameling de verschillende niveaus zijn vastgesteld. Uit het vermogensprofiel van Harry blijkt dat hij meer een tijdrijder / klimmer is, met hoge waarden in het 5 en 20-minutengebied en een minder goed ontwikkeld sprintvermogen heeft (5 sec en 1 min-waarden).

 

Tot slot is het ook mogelijk om van alle aanwezige data van een renner een panelfiguur te maken waarin het gemiddelde vermogen van verschillende tijdseenheden in watt of watt/kg is uitgezet tegen de tijd. In het voorbeeld is een panel gemaakt met 1 sec, 5 sec, 6 sec, 15 sec, 30 sec, 1 min, 4 min, 5 min, 10 min, 20 min en 60 min. Wat opvalt, is de enorme vooruitgang in met name de kortere tijdseenheden die deze renner maakt na het uitrijden van een meerdaagse etappekoers (Olympias Tour). Daarnaast valt de vooruitgang op die de renner maakt na een korte rustperiode in oktober en het doen van specifieke krachttrainingsoefeningen.

Conclusie

Een heel belangrijk punt bij het trainen met de vermogensmeter is het analyseren achteraf. Hier zit de echte meerwaarde van het instrument. In dit artikel heb ik meest gebruikte analyses van vermogensmeterdata beschreven. In de praktijk stellen deze analyses zowel trainers als renners in staat om te bepalen of er vooruitgang wordt geboekt. Op het niveau van Baby-Dump is het gebruik van een vermogensmeter mijns inziens onontbeerlijk. Echter, analyseren van vermogensmeterdata is een tijdrovende bezigheid. Een trainer / coach die ervaring heeft met de analyse van deze gegevens kan je daarmee verder helpen. Als je zelf met een vermogensmeter aan de slag gaat raad ik je aan om het boek Training and racing with a power meter van Allen & Goggan door te nemen. In dit boek wordt stap-voor-stap uitgelegd hoe je het maximale uit je vermogensmeter(data) kunt halen.

 

Met dank aan Harry Sweering, renner van het Baby-Dump Cyclingteam voor het beschikbaar stellen van zijn vermogensmeterdata. Volg de verrichtingen van Harry en het team op https://twitter.com/BabyDumpCT.

 

paul bijkerk wielrentrainer

Paul Bijkerk (1974). Gediplomeerd wielrentrainer. Ik train, test en begeleid wielrenners, mountainbikers en cyclocrossers. Daarnaast ben ik trainer/coach bij het Baby-Dump Cyclingteam, een profteam op continentaal niveau. Meer informatie over trainingsbegeleiding vindt u op: fit-trainingsbegeleiding.nl.

Bronvermelding:

 

1. Allen H & Goggan A (2010). Training and racing with a power meter. Boulder, Colorado: VeloPress.
2. Pinot J & Grappe F (2010). The ‘Power Profile’ for determining the physical capacities of a cyclist. Computer Methods in Biomechanics and Biomedical Engineering, 13 (SI), 103-104.