Fitheid en niet BMI bepalen vitaliteit!
In 1989 publiceerde de groep van Steven Blair een mijlpaal onderzoek, waarbij een relatie werd gelegd tussen een grotere fitheid en een verminderde kans op vervroegde sterfte. Deze relatie is daarna nog vele malen bevestigd, maar daarmee werd niet duidelijk of fitter worden ook leidt tot betere levensverwachtingen. In dit vervolgonderzoek is specifiek gekeken naar dit verschil.

Onderzoeksopzet
Dit onderzoek kende 14.345 deelnemers die tenminste twee maal medisch zijn onderzocht. De fitheid werd met behulp van een maximale inspanningstest op een loopband vastgesteld en genoteerd in de hoeveelheid MET (3,5 ml zuurstof per minuut). Hoe hoger, hoe beter het uithoudingsvermogen. Ook werd de BMI genoteerd. Dit gebeurde voor aanvang van het onderzoek en nogmaals gemiddeld na 6,3 jaar. De deelnemers werden gemiddeld 11,4 jaar gevolgd en de fitheid en BMI werden gerelateerd aan algemene sterfte en overlijdenskans als gevolg van hart- en vaatziekten.
Het resultaat
Uiteraard werd er wederom een relatie gelegd tussen een hogere fitheid en een hogere levensverwachting. Ook was er een verband tussen BMI en levensverwachting, maar die relatie verdween als er gecorrigeerd werd op fitheid. Dat gold ook voor de groep die afslankte en in BMI afnam. Fitheid is dus veel belangrijker dan de BMI voor onze overlevingskansen.
Zij die fit werden en fit bleven (tijdens de tweede meting) hadden respectievelijk een 47 en 48 procent verminderde kans op vervroegd overlijden ten opzichte van de groep die niet fit was en dat ook bleven. Mannen die fit werden of bleven hadden een 41 en 44 procent lagere kans op overlijden als gevolg van hart- en vaatziekten. Zij die echter hun fitheid verloren, verdubbelden nagenoeg hun kans op sterfte aan hartproblematiek. Ook interessant was dat de mannen die hun fitheid op peil konden houden, juist in 80 procent van de gevallen fitter werden.
Overwegingen
De hoopvolle resultaten zijn waarnemingen uit een observationeel onderzoek en kunnen daarom niet gelden als hard bewijs. Toch zijn deze aanwijzingen behoorlijk overtuigend, omdat deze waarnemingen heel consistent zijn onder alle onderzoeken en ook bij vrouwen.
Daarnaast is de dosis-respons relatie van belang, want als er een verband is, dan moet dit terugkomen in de dosis (fitheid) en de response (levensverwachting) en die is er. Elke MET meer in uithoudingsvermogen wordt geassocieerd met een 15 procent verminderde kans op vervroegd overlijden. Dat lijkt veel, maar is een relatief risico en dat betekent dat de cijfers in de praktijk wel minder zijn. Toch is het een structurele verbetering die pas gaat intreden bij een uithoudingsvermogen van tenminste MET 5, wat zoveel betekent als dat iemand minimaal drie minuten in een flink tempo moet kunnen wandelen.
Er is bovendien een plausibel mechanisme van sport door verbetering van vaatflexibiliteit en - kwaliteit. Mogelijk dat sporten nog bijdraagt in het verminderen van ontstekingsreacties, die een rol lijken te spelen in veel van onze welvaartsziekten, maar dat is nog onzeker. De consistentie tussen alle publicaties, de overtuigende dosis-respons relatie en een plausibel mechanisme zorgen ervoor, dat dit soort bevindingen niet genegeerd mogen worden.
Of sporten ook leidt tot een gelukkiger leven, kan niet beantwoord worden en was ook geen onderzoeksvraag in deze publicatie. Tweelingenonderzoek (Stubbe H 2007) suggereert van niet, maar gepast sporten maakt je ook niet ongelukkiger.
Conclusie
Bij vitaliteit denk je aan lang, gezond en gelukkig leven. Met fitheid wordt er tenminste aan twee van de drie bij gedragen. Aanwijzing, na aanwijzing stapelt zich op en dat kan dan niet genegeerd worden. Zelfs al heb je overgewicht, dan lijkt het verbeteren van de fitheid, je overlevingskansen toe laten nemen. Concentreer daarom niet teveel op gewicht of zelfs vetmassa, maar biedt een programma waarin verantwoord bewegen centraal staat en verbeter daarmee de vitaliteit!
© Chivo.nl 30 maart 2012



